Zomaar een avond

Irene Verzorgende in een groepswoning

Een kralenketting van gebeurtenissen. Dat is elke dag weer. Groot en klein plezier, grote en kleine ergernissen – alles komt voorbij. Net als in een gewoon gezin. En altijd is er vertrouwen, veiligheid, verzorging. 

De huiskamer. Het is zeven uur ‘s avonds, koffietijd. Ik stap de huiskamer binnen met een flinke mand schone was. Mevrouw Weststrate en mevrouw Vleugel zitten op de bank te praten. “Zo dames, hebben jullie misschien zin om mij te helpen de was op te vouwen?”, vraag ik, terwijl ik aan de eettafel ga zitten. Mevrouw Weststrate kijkt me verontwaardigd aan en antwoordt: “Nou, nee hoor. Dat ik heb ik al genoeg gedaan.” Daarna kijkt ze mevrouw Vleugel aan en zegt op zachtere toon: “Ze moet het zelf maar doen, ze wordt er tenslotte voor betaald!”

Tijdens de was

Dan stapt Willem van Dijk, een vriendelijke, rustige bewoner, de huiskamer in. In de wasmand spot hij een schone, rode zakdoek. Zonder aarzeling grist hij hem eruit en snuit zijn neus er met een flink volume in leeg. “Zag je dat?”, vraagt mevrouw Weststrate aan haar buurvrouw. “Hij snuit zomaar zijn neus in andermans zakdoek. Dat is toch ongepast?” Willem stopt de zakdoek in zijn zak, lacht hard en loopt de huiskamer uit alsof er niets gebeurd is. Ik aanschouw het tafereel, maar zeg niets en houd me bezig met het vouwen van de was. Daar word ik tenslotte voor betaald. Maar een grijns kan ik niet onderdrukken.

In de slaapkamer

Rond een uur of half tien breng ik een vermoeide mevrouw Veders naar bed. Ze complimenteert me met mijn blouse. “Zoiets heb ik ook voor mijn dochter Elly gekocht.” Ik vraag waar ze het gekocht heeft. “In de stad”, zegt mevrouw Veders. “In welke stad?”, reageer ik. “In Vlissingen.” Ik ben benieuwd hoe ze dan naar de stad is gegaan. “Gewoon, met de bus. En toen ben ik de winkel ingegaan om die blouse te kopen. Mijn dochter Elly stond buiten te wachten. Ik ben van plan om ook iets leuks voor mezelf te kopen.” Ze toont initiatief en dat moedig ik graag aan. “Heeft u al een idee wat u wilt?” vraag ik. “Ja, een mooie rok of jurk. In het grijs”, zegt ze. “En voor jou wil ik ook iets leuks kopen, maar ik weet nog niet wat.” Ik reageer vereerd: “Wat aardig! Maar maakt u zich maar geen zorgen, dat komt nog wel. Voor nu wens ik u een fijne nacht.” Dan pakt ze mijn hand. Met een twinkeling in haar ogen fluistert ze: “Welterusten lieve schat, tot morgen.” Een gerimpeld handje verschijnt boven het dekbed en zwaait me lief na. 

Op de gang

Vanuit de kamer van mevrouw Veders stap ik om kwart voor tien de gang op. Het duo van eerder die avond, mevrouw Weststrate en mevrouw Vleugel, staat me al op te wachten. “Zuster! Er zit een vreemde kerel in de huiskamer. Kunt u die alstublieft verwijderen?” Nieuwsgierig kijk ik naar binnen. Ik zie Willem in alle rust aan de eettafel zitten met zijn gebruikelijke borreltje. “Dames, jullie kennen Willem toch wel?” Mevrouw Weststrate  reageert kordaat: “Nee, die vreemde kerel moet verwijderd worden. Hij hoort hier niet!” Ik probeer de dames geduldig uit te leggen dat die meneer hier ook woont, maar zonder resultaat. Mevrouw Weststrate werpt eens een blik op haar buurvrouw, waarop deze allebei haar handen in de lucht gooit en opmerkt: “Ja, ik ken hem ook niet hoor.” Ik stap op Willem af. “Hoi Willem, is er wat gebeurd?” Hij begrijpt er niks van: “Ik zit hier gewoon rustig.” Ik vertel de dames wat Willem verklaard heeft: “Er is niks gebeurd, Willem woont gewoon hier.” Maar het is natuurlijk naïef om te denken dat het daarmee opgelost is. De dames vinden het vreemd, want hoe is het toch mogelijk dat er een man tussen de dames woont? Beiden lopen met een verontwaardigde gezichtsuitdrukking naar hun slaapkamer en trekken de deur met een klap achter zich dicht. Bezorgd kijk ik naar Willem, maar die trekt zich niks aan van de commotie. Glimlachend kijkt hij me aan en haalt zijn schouders op: “Vrouwen…” 

Achter de computer

Het is inmiddels elf uur. Iedereen ligt nu in bed. Tenminste, dat denk ik. Ik kruip achter de computer om te rapporteren. Achter me hoor ik ineens iemand de huiskamer in schuifelen. Nieuwsgierig kijk ik achterom. Daar staat mevrouw De Jonge (wij mogen haar Maartje noemen). “Kunt u niet  slapen?” Ze loopt naar me toe, kijkt naar wat ik aan het doen ben, schudt zachtjes haar hoofd en legt een hand op mijn schouder. “Oh, m’n liefje, moet je dat nu allemaal alleen doen?” Ze kijkt me bezorgd aan. “Ja, maar dat is niet erg hoor. Dat hoort bij mijn werk. Zal ik een stoel pakken? Dan kunt u gezellig naast me zitten.” Maartje gaat voorzichtig op de stoel zitten. “Ik kan je niet helpen hoor”, zegt ze aarzelend. Ik leg haar uit dat dat ook niet nodig is. “U hoeft alleen maar lekker te zitten.” Al na een paar minuten blijkt dat Maartje er niks aan vindt. Ze staat op, brengt haar gezicht naar het mijne en fluistert: “Ik ga toch maar weer terug naar bed.” Ik loop mee om haar in te stoppen. Eenmaal in bed bedankt ze me. Vanaf de rand van het bed aai ik haar over haar haar, wens haar een goede nachtrust en loop terug naar de huiskamer. Verder met die oh zo saaie computer.  

 

 

Het is niet makkelijk om in een afhankelijke positie te zitten en aangewezen te zijn op hulp van een ander. Daarom willen we onze bewoners de beste verzorging bieden. Het geeft voldoening om hen het stukje vertrouwen, veiligheid en gezelligheid te bieden dat ze nodig hebben. Dat kan op veel verschillende manieren. Bij SVRZ proberen we zoveel mogelijk met de cliënt te ondernemen en ze hun eigen keuzes te laten maken. Zo houden we iedereen betrokken bij de dagelijkse gang van zaken en is het voor de bewoners (bijna) net als thuis.

Suggesties?