Goeie oude tijd

Mel Verzorgende in een kleinschalige woning

1968. Als zeventienjarige deed ik mijn eerste ervaringen in de zorg op. Ik stond toen nooit alleen; we  deden alles met twee of meer. Destijds verzorgde  de nachtdienst het ontbijt. Als je het een ontbijt kon noemen. Iedereen kreeg al om vijf uur ’s ochtends  een schep pap uit een grote pan, want dat  was gemakkelijk te eten voor mensen zonder gebit. Het opscheppen moest zo snel mogelijk  gebeuren, want de pap koelde natuurlijk rap af. Daarna was het tijd voor het wassen. 

Nummertje trekken

De cliënten stonden in de rij voor de badkamer,  waar we met zijn vieren werkten. De één deed de  cliënt in bad, de volgende droogde af en zo verder  totdat iedereen schoon en aangekleed was. Iedereen  stond dus naakt bij elkaar, wat vreselijk vernederend  moest zijn, zeker voor díe generatie. Na het  wassen, zetten we alle cliënten in een huiskamer.  Met zeven slaapzalen voor vijf tot zeven personen  (met alleen een gordijntje ertussen) zaten er dan  al gauw vijftig mensen bij elkaar. De groep was dus veel te groot om een praatje te maken. De  rolverdeling was bovendien heel anders. Ik droeg  een wit schort en de cliënten hadden ontzag voor  mij. Het doel destijds: iedereen zo snel mogelijk  wassen, eten geven, medicatie toedienen en voor  de hele dag in een stoel zetten. Ik griezel nog bij  het idee. 

 

Ik griezel nog bij het idee.

Persoonlijke noot

2013. Ik start om zeven uur. De nachtdienst doet dan de overdracht. We drinken samen een kop  koffie of thee en overleggen wie er hulp nodig  heeft. Ik lees de rapportage en bekijk de overdrachtsmap. Vervolgens is het tijd om de tafels  te dekken en te kijken wie er wakker is en wie  wil uitslapen. Meestal zie ik al licht branden in de badkamer, want er is één bewoner die altijd vroeg opstaat. De mensen die uit bed willen, help ik  eerst. Ik geef ze brood en beleg, koffie, thee of  melk en maak vervolgens ontbijt voor de uitslapers. Want als iemand tot tien uur wil uitslapen,  wie ben ik dan om dat te verbieden?   

Overzicht bewaken 

Na het ontbijt zet ik zachtjes een muziekje aan en  ga ik bij de mensen in de huiskamer zitten. We  maken een praatje en lezen samen de krant, zodat  iedereen die dat wil op de hoogte blijft van de  actualiteiten. Dan loop ik meestal even naar de  andere woningen, om te kijken of ik daar kan helpen.  Ik kan de bewoners van woning 27 met een  gerust hart alleen laten, want het is een woning  voor mensen met een lichamelijke beperking; de  enige somatische afdeling op onze locatie. Bij  terugkomst maak ik de bedden op of verschoon  ze. Ook de was ligt dan op me te wachten. Verder  maak ik de toiletten schoon en dweil ik de vloeren.  Het huis is dan weer lekker fris en schoon. 

Aandacht op maat 

Vervolgens ga ik met de bewoners aan de slag  met de menu- en de boodschappenlijst. We kijken  goed naar ieders voorkeuren. De producten  bestellen we online en laten we bezorgen. Voorheen  deden we de boodschappen zelf in het dorp,  maar dat nam altijd veel tijd in beslag en het sjouwen was niet goed voor onze ruggen. Omdat de  cliënten niet meer mee kunnen of willen, maakt het voor hen niet uit. De rest van de middag vullen we steeds anders in, afhankelijk van de wensen  van de bewoners. De ene keer praten we, de andere keer kijken we een film of doen we een  spelletje. Als het mooi weer is, maken we een  wandeling. Toch hebben we nooit een druk schema,  want onze cliënten hebben na een druk leven  vooral behoefte aan rust. En dat respecteren we.

 

Onze cliënten hebben na een druk leven  vooral behoefte aan rust. En dat respecteren we.

Zorg naar wens 

Kortom: de zorg ziet er tegenwoordig heel anders  uit. De cliënt kan zelf aangeven welke zorg hij of  zij nodig heeft. We kijken of er een familielid of  kennis is die kan helpen. Want wie kent je nou  beter dan je naasten? Het draait vandaag de dag  veel meer om welzijn dan om medische zorg. Mijn  doel is om de cliënt een prettig gevoel te geven. En dat zit hem vaak in kleine dingen, zoals een arm om de schouder of een favoriete maaltijd. 

Lief en leedpotje 

Ook de organisatie van het personeel is veranderd.  Onze teams werken zelfregulerend. Dat  betekent dat we zoveel mogelijk zelf regelen. Er  heerst een goede sfeer en we hebben onze eigen  verantwoordelijkheden. Zo is een collega ergospecialiste,  een ander is verantwoordelijk voor de  kas, iemand beheert ons lief en leedpotje, er is  een verantwoordelijke welzijn en weer een ander  maakt de roosters. Zo dragen we allemaal ons  steentje bij. Het krijgen van deze verantwoordelijkheden  voelt heel prettig. Het is niet meer alleen  de teamleider of de arts die bepaalt; we beslissen  samen. We zijn als een ketting met schakels.  Iedere schakel is even belangrijk om ons werk  goed te doen. Als dat niet zo is, breekt de ketting.  Op die manier kan ik wel tot mijn vijfenzeventigste  blijven werken!  

 

Er is veel veranderd in de verpleeghuiszorg. Mensen praten wel  eens over ‘de goeie oude tijd’ en verzorgenden zeggen soms:  “Vroeger hadden we tenminste tijd voor de cliënt.” Maar of dat  dan ook echt ‘quality time’ was? Gelukkig hebben we tegenwoordig  een andere aanpak en staat het welzijn van de cliënt veel meer  voorop. Het is aan de medewerkers van SVRZ om daar, binnen  hun team, op een goede manier invulling aan te geven.  

Suggesties?