De galante heer

Irene Verzorgende in een woongroep

    

Het gezegde blijkt waar. Onze lieve heer heeft vreemde kostgangers. Een boze oude baas blijkt al gauw een blije bewoner. Van ruwe bolster naar blanke pit. Hoe aandacht en respect wonderen doen...        

 

Acht jaar geleden werkte ik op de afdeling Keersluis, destijds onderdeel van locatie Vliedberg in Koudekerke. Daar woonden mensen met een lichamelijke beperking of aandoening. Natuurlijk van diverse pluimage. Dat bleek ook op een donderdagavond in juni. Die bewuste avond was ik met een collega druk bezig de huiskamer op te ruimen, toen de deur ineens openvloog.     

Onverwachts bezoek

Er stonden twee politieagenten in de deuropening. Tussen hen in een boze meneer die zich hoorbaar verzette. “Waar brengen jullie me naar toe?”, schreeuwde hij. “Wat is dit voor oord?” Hij probeerde zich los te rukken, maar de armen van de dienaars der wet waren sterker. De ‘gevangene’ keek ons boos aan: “Tegenwoordig sleuren ze je zo van straat, alsof het niks is!” Hij bleek behoorlijk dronken te zijn. Uiteindelijk lieten ze hem los. Hij wankelde onmiddellijk naar de zusterpost, duwde zijn hoedje op zijn achterhoofd en keek me vragend aan. Ik was benieuwd wat er nu ging komen. Hij zei: “Zus, kan ik hier een pot bier krijgen?” Blijkbaar dacht hij dat we een café uitbaatten! 

Op straat gevonden

Wat bleek? De politie had hem, zittend en zingend, middenin de Scheldestraat in Vlissingen gevonden. Hartstikke gevaarlijk in zo’n drukke straat. Hij wist niet meer waar hij woonde, wilde het niet zeggen of was er niet toe in staat, beschonken als hij was. Toen de agenten hem eenmaal zo ver hadden dat hij in de politieauto wilde stappen, besloten ze om hem naar ons te brengen. Ze wisten ook niet goed wat ze anders met hem aanmoesten. Toen de onbekende man een beetje gekalmeerd was, vertrokken de agenten. Mijn collega en ik praatten op hem in en probeerden hem stil te krijgen. Het halve huis lag tenslotte al op één oor. Uiteindelijk werd hij rustiger. We kregen het voor elkaar dat hij een slaapplaats accepteerde en zijn schoenen uittrok. Dat was al een hele prestatie. We hielpen hem zo goed en zo kwaad als het ging naar bed, zodat hij zijn roes kon uitslapen. Met hoed en al.     

De vuile was

De volgende ochtend moesten collega’s de man overhalen zijn kleding uit te trekken en een douche te nemen. Toen pas bleek hoe ernstig hij zichzelf verwaarloosd had. Hij was erg bleek en zag er slecht uit. We schrokken ervan. Later hoorden we via het maatschappelijk werk dat hij al geruime tijd niemand wilde binnenlaten in zijn woning, die compleet vervuild bleek te zijn. Na de warme douche verdween zijn kleding in de wasmachine. Zijn broek, trui, overhemd, sokken en ondergoed konden wel een goede wasbeurt gebruiken. We hielpen hem in schoon goed uit de berging. Later kwam een vage kennis nog een zak kleding uit zijn woning brengen. De volgende ochtend hing er een papier op de kapstok: ‘Pas op: vlooien!’     

Het voelt als thuis

Nadat onze nieuwe gast een stevig ontbijt en een paar koppen koffie genuttigd had, installeerde hij zich comfortabel op de bank in de huiskamer. Hij knapte zienderogen op, gaf alle dames bij wijze van kennismaking een handkus en stelde zich uitgebreid voor. Hij kreeg volop praatjes, begon vrolijk te worden en zong liedjes van vroeger. Ook haalde hij herinneringen op over zijn leven, zijn ouders, broer en zus en hoe ze destijds leefden. Het was voor onze bewoners allemaal erg herkenbaar. De dames raakten al snel erg op hem gesteld en ook de mannelijke bewoners mochten hem graag. Regelmatig klonken er lachsalvo’s in de huiskamer. Hij was charmant, vriendelijk, grappig en vooral dankbaar dat wij vanaf nu voor hem zouden zorgen. Eenzaam als hij was geweest, genoot hij nu met volle teugen van het gezelschap. Maar die gezelligheid was voor deze galante heer helaas van korte duur.     

Twee prachtige maanden   

Zoals dat gaat wanneer we een nieuwe bewoner hebben, kwam ook de arts langs om te onderzoeken hoe gezond de cliënt is en welke zorg hij of zij nodig heeft. Kort daarop ontdekten we dat hij ongeneeslijk ziek was. Leverkanker. Of hij het zelf wist, weten we niet. Toen hij door de ziekte bedlegerig werd, verplaatste de warmte en het kameraadschap van de woonkamer zich naar zijn slaapkamer. Onze bewoners pakten een stoel en gingen naast zijn bed zitten. Sommigen hielden zijn hand vast. Uiteindelijk is hij ongeveer twee maanden bij ons geweest en dat waren twee prachtige maanden. Toen hij overleed, was het net alsof de zon even uit de huiskamer was verdwenen. Hij moest eens weten, deze galante heer. Zo’n rumoerige start en zo’n vreedzaam einde. Ik zal hem nooit vergeten.   

 

Dit is een lief, teder verhaal van een vrouw met jarenlange  ervaring in de zorg. Door rekening met ‘de galante heer’ te  houden en hem de ruimte te geven, kon hij floreren, al was het  helaas maar van korte duur. Hij bewees maar weer waarom het  zo belangrijk is om niet te snel te oordelen over iemand. Deze  man bracht warmte en gezelligheid, maakte zijn eigen keuzes  en was eerlijk en oprecht. Dat zien we graag.    

Suggesties?